zondag 20 januari 2013

In het spoor verscholen (deel 2)


Speuren. Zoeken met de hengel in de hand. Struinen. Dat is vissen. De voorbereiding, stekken verkennen, de waarschijnlijke standplaats van een snoek herkennen, een belletjes spoor van een zeelt of die ene bewegende stengel, die de aanwezigheid van karper verraadt, aan de rand van een brede rietkraag onderscheiden. Of het kenmerkende patroon van minieme kringen, dat zo karakteristiek is voor een school azende windes, in het oppervlak ontwaren. Tekenen van herkenning, maar tegelijkertijd ook aanwijzingen naar het onbekende en onverwachte. Zoals bij dat ene hoekje, bij die duiker, waar ik bij toeval op stuit. Ik voel dat er een snoek ligt, ik denk het stellig te weten...De trefzekere worp brengt de spinner precies waar ik hem hebben wil, en juist nu belandt het spinner-blad met die eigenaardige 'plop' exact plat op het wateroppervlak. De ordening is volmaakt. Het patroon klopt. Het typische geluid van de spinner plat op het water echoot na in mijn gedachten. Een resonantie die iets wakker schudt en los maakt in mijn herinnering. De aanbeet kan niet uitblijven...en laat mij dan toch nog onvoorbereid, wanneer ik, opgeschrikt door de plotse kolk, vanuit een reflex aansla. Ik weet dat ik niet hoef aan te slaan. Negen van de tien keer haakt de snoek zich immers zelf op de combinatie van een excellente haak en de subtiel toenemende weerstand van de progressieve buiging van een echte werphengel. Ja ik weet dat ik niet hoef aan te slaan, hooguit wat extra tegendruk door de hengel licht te heffen is voldoende, en toch doe ik het soms. Ik vergeet het niet aan slaan in de spanning, en mis de aanbeet. Niks mis mee, want dat is vissen. Eigenlijk is zo'n gemiste aanbeet ook geen gemiste kans of iets dergelijks, maar veelmeer een geslaagde poging tot...tot iets dat ik niet zo goed kan omschrijven. En hoewel de dril van een mooie vis enerverend is, en een fraaie vis in het landingsnet genoegen schept, toch is die vangst maar een klein onderdeel van het grotere geheel dat vissen heet. Anders had het wel vis vangen, of simpelweg vangen geheten. Dat maakt die geslaagde poging misschien tot een klein detail in een succesvol streven naar wat ze in Engeland zo mooi just being there noemen.

Ik vind dat wel een mooie overpeinzing: just being there. Ik heb ook al eens gezegd dat vissen een soort gemoedstoestand is, en dat uiteindelijk die hengel niet eens meer nodig zou moeten zijn om in die stemming te geraken. Dat is misschien wat overdreven. Hoewel, ooit is het vissen bij mij begonnen – zo heb ik mij laten vertellen – met niet meer dan een rietstengel waar een stuk ruw touw aan bevestigd was. En dat was toen, daar in dat bootje, voldoende.

Voorlopig is de hengel zeker niet nodig. Ik wil niet eens vissen. Het ijs lonkt. Afgelopen vrijdag was ik in de gelegenheid om te gaan schaatsen in een prachtig natuurgebied. Ik ken deze plek redelijk goed van voorgaande schaatstochten en ook heb ik er wel gevist. Het gebied is echter te voet beperkt toegankelijk. Pas vanaf de schaats gaat er in dit oord een verborgen wereld open. In alle vroegte was ik er. Er stond slechts één auto op de parkeerplek. Later zou het wel wat drukker worden, maar in dit doolhof van vele tientallen grotere en kleinere petgaten kun je op een doordeweekse dag nog je eigen weg kiezen en er het idee hebben dat je er vrijwel alleen rondzwerft. Het is ruig terrein met een afwisseling tussen open en beschutte plekken. De afbrokkelende legakkers en de daarop grillig gevormde bomen, waarvan de silhouetten spookachtig afsteken tegen het grijzige omfloerste licht van deze ochtend, wekken de indruk van een vergeten stukje oer natuur. Hier is alles mogelijk. Hier kun je alles verwachten. Je zou er nog kunnen verdwalen...


achteruit...

diep

open

oer...

keerpunt

Kilometers ijs ligt er om te verkennen. Heen en weer zoek ik mij een weg over de petgaten die goeddeels onderling verbonden zijn door smalle doorgangen in de legakkers. Het dunne laagje sneeuw van nauwelijks meer dan een millimeter dikte vormt geen enkele belemmering voor de ijzers. Op de meer open stukken, die bloot gesteld zijn aan de opstekende oostenwind, is het ijs al schoon gewaaid. 

schoon

Het laagje sneeuw dat één of twee dagen eerder viel, is wel net voldoende om te kunnen zien dat mij op het merendeel van de petgaten nog geen mens was voorgegaan. Wel zijn er hier en daar sporen te zien die de verschillende diersoorten hebben achtergelaten. Behalve hun sporen laten enkele soorten zich ook zelf zien of horen. Wintergasten zoals kramsvogels en koperwieken houden zich in kleine groepjes op in het struikgewas. Ze zullen alert moeten zijn op de aanwezigheid van de havik die even verder op de vleugels gaat als ik haar te dicht nader. In het forse postuur van nog een roofvogel denk ik een ruigpootbuizerd te herkennen. Maar omdat ik geen goed zicht krijg op de kleurstelling van de staart van dit beest blijft een definitief onderscheid van de kleinere gewone buizerd uit. Ook de reeën zijn aanwezig. Enkele dieren worden door mij verrast en zijn verschrikt, net als ik zelf, wanneer ze ineens tevoorschijn komen uit hun schuilplaats op één van de legakkers.

de reeën komen slecht beslagen ten ijs...

Wat later op de ochtend, ergens midden in de ongerepte omgeving, tref ik dwars over het ijs in de dunne sneeuwlaag sporen aan die ik niet direct kan thuisbrengen. Er zitten hier ook vossen, en vanuit de omringende landerijen zullen ook hazen komen. Maar deze sporen zijn anders. Ergens begint bij mij een vermoeden op te borrelen. Er wordt iets losgemaakt, zoals bij die luide plop waarmee het spinner-blad in dat ene mooie hoekje plat op het water kletste...Zou dit het dan echt zijn? Is dit waar ik stiekem op had gehoopt, waarnaar ik op zoek was? Het patroon klopte; sporen over het ijs langs de kanten van de legakkers, een licht slingerende gang, struinend, zo nu en dan tot in de oever (snuffelend, wroetend). Dan weer verder over de legakker, door naar de ijsvloer van het volgende petgat waar zich het patroon herhaalt. Ik volg de sporen steeds verder, zoek de openingen in de stripen tussen de petgaten om verder te kunnen schaatsten en pik het spoor aan de andere kant weer op. En ik ontdek steeds meer. Zo leidt het spoor naar een prent in het ijs. Het is de afdruk van een vis die hier in het oppervlak dreef toen de vorst zijn intrede deed. In het ijs zijn de vorm en de stand en structuur van de vinnen van een snoekje duidelijk te zien. Van de vis zelf rest echter weinig of niets meer. Enkel het verstilde beeld in deze bevroren wereld, als een tijdelijk fossiel, vertelt hier het verhaal.

gestold

uiteen

bijeen

Ondanks dat de sneeuw niet dik dik genoeg ligt voor duidelijke prenten om de vijf tenen te kunnen herkennen, wordt mijn vermoeden steeds sterker. Het zijn de sporen van meerdere vrij forse dieren, met een flinke dikke staart (die regelmatig over het ijs sleept), die hier en daar glijdend, slingerend, de kanten afstruinen en waarschijnlijk ook nog tijd hadden om met elkaar te spelen. Met de wetenschap dat de otter zich goed handhaaft in Friesland (hoewel het verkeer helaas zijn tol eist) en er steeds verder richting noord/noord-oosten meldingen (onlangs de Grote Wielen)gedaan en bevestigd worden van ottersporen of van waarnemingen van het dier zelf, denk ik dat ik 'beet' heb. Voor de zekerheid heb ik fotomateriaal plus omschrijving naar Auke Kuiper ( de RietNymf ) gezonden. Auke, iemand met ervaring en kennis van de flora en fauna in dit soort gebieden, achtte het zeer waarschijnlijk dat het hier inderdaad gaat om het spoor van twee otters.




De glijsporen zijn zichtbaar,
kleine hoopjes sneeuw voor zich uitgeduwd,
blijkbaar was hier de tijd en de plek
 om even over elkaar heen te buitelen...


woensdag 16 januari 2013

IJs


Veel van de wateren waar ik vis of gevist heb ken ik vrij goed. Sommigen misschien wel door en door. Het vissen brengt natuurlijk kennis en ervaring met die wateren. Maar meer nog dan het vissen zelf hebben de vele schaats tochten mij letterlijk wegwijs gemaakt in de contreien waar die stekken zich bevinden. Vanaf de schaats zijn vele kilometers binnen bereik, tot in de kleinste hoekjes en gaten van prachtige plekken zoals Looden Hel en Zwarte Broek in het Bûtenfjild, of de Grote Wielen. Mooie natuurgebieden, normaal niet of slecht toegankelijk, of enkel per bootje. Maar zodra er ijs ligt vervagen de grenzen, worden de regels versoepeld. Te voet of per schaats zijn via allerlei sloten en vaartjes plekken bereikbaar die doorgaans verborgen blijven te midden van moerassige rietlanden of achter verbodsbordjes....




Zodra het gaat vriezen gaat het dan ook flink kriebelen. Ik wil er dan op uit. Nog niet alles, maar wel veel moet dan wijken. Ik zoek graag die verborgen plekken op. Op zoek naar sporen en bijzondere vogelsoorten. Of simpelweg op zoek naar dat heimelijke oord zelf. En natuurlijk kilometers maken op de schaats. Het liefst dáar waar mij die dag nog geen andere schaatser voorging. Soms alleen, maar ook met de kinderen. En, gelukkig, soms wordt de trein op het ijs nog aangevuld door een derde en oudste generatie...

IJs is beleving. IJs is uniek, elke keer weer anders, maar toch herkenbaar en vertrouwd in zijn verschijningsvorm; zwart ijs, kwalsters, kistwerken, sneeuwijs, roffeliis (waarme fuotten-iis)...Schaatsen is een ervaring. Ook elke keer weer een bijzondere ervaring, maar eveneens bekend en warm ingekleurd vanuit het perspectief van vele voorgaande tochten. En een bron van inspiratie...zoals naar aanleiding van de vorige winter:

Winter 2011/2012

Het leven is af en toe net een ingewikkeld raderwerk. Een aaneenschakeling van gebeurtenissen die elkaar aangrijpen en weer loslaten. Een samenhang van ervaringen die, als de wijzers van een klok, aangedreven door de tandwielen in het uurwerk, de kleine en grootse momenten in het leven markeert.

Het leven als een uurwerk. De uren, dagen en seizoenen worden weggetikt, en geboortes en levens voltrekken zich. Maar ik kan niet zien hoe laat het is. De tijd lijkt soms te vervliegen, loopt op me vooruit, of misschien ben ikzelf soms te snel.

In gedachten zie ik grote wielen draaien – traag - die kleine wielen in beweging brengen. En kleine snel draaiende wielen, die op hun beurt nog weer kleinere, of misschien wel grotere raderen in gang zetten. Eenmaal op de loop is niet meer altijd duidelijk wat er verderop gaat gebeuren, en terugkijkend is het begin vaak niet meer zichtbaar. Alles draait gewoon. En ook al gaat er in de overbrenging energie verloren en knarst het zand soms in de tanden van de wielen, toch blijft de boel wel ronddraaien. Met wat onderhoud loopt alles gesmeerd en worden lichte haperingen overwonnen en, zo denk ik, ergens in de verte zal iets of iemand het uurwerk vast weer aan slingeren en zo de voortgang een zetje meegeven.

Ik beweeg mee. Terwijl het grote geheel meestal aan het zicht onttrokken blijft en de bedoeling mij ontgaat. En dat is misschien ook wel goed zo. Waarschijnlijk hoort het gewoon zo. Maar toch, ik wil ook wel graag alles weten. Weten wat er gaande is, wat mij beweegt. Af en toe, bij tijd en wijle, denk ik dat ik het door heb. Dan wijzen die wijzers van die klok ook daadwerkelijk ergens naar. Voor een moment is de samenhang zichtbaar en de verwantschap voelbaar.

Een gevoel dat mij toevallig overkomt, of zelfs overspoelt. Een bepaald voorval,een speciale plaats of een combinatie daarvan maakt dat ik pas op de plaats moet maken. Ik denk dat stilstaan nodig is om te kunnen zien. Om de beweging door te krijgen en te doorgronden hoe alles in elkaar grijpt.

Eén van die speciale plekken is het gebied van de Grote Wielen geworden. Het zal wel met de naam van dit gebied te maken hebben dat hier zoveel rond draait en samenkomt. Eigenlijk is het smalle stukje groen tussen water en snelweg maar een onooglijk strookje natuur waar ik niet zoveel te zoeken heb. Maar voor het water zelf, of zoals nu het ijs, is het daar een startpunt voor avontuur en lange omzwervingen. En deze winter zie ik dan onze jongste als laatste van de drie voor het eerst ook zijn rondjes rijden op de grote plas, alsof het niets is....Ik zie ik mezelf, zo'n vijfendertig jaar geleden denk ik, dezelfde rondjes draaien. Acht of negen jaar oud, denk ik...helemaal vanuit Dokkum naar de Wielen geschaatst met mijn vader en broer. De cirkel is rond, het grote wiel dat vijfendertig jaar draaide heeft zijn ronde volbracht. En ik sta even stil aan het eind dat tegelijkertijd een begin is. Ik voel me verbonden, de tijd speelt geen rol meer, en ik ben kind en vader tegelijk.

Winter 2012/2013

En vandaag, 16 januari 2013, is het alweer zover. Nerveus als ik was, en vol van  gespannen verwachting, stond ik bij zonsopkomst al op het ijs en werden de eerste streken geschaatst. Vanochtend vroeg de vlakte verkend, de eerste slootjes, vaartjes en oude eendenkooi opnieuw ontdekt. Diep de polder in. Daarna snel naar huis, de jongens opgehaald zodra ze uit school waren, snel terug en opnieuw, maar nu gedrieën, de ijzers ondergebonden....











16 januari 2013



donderdag 8 november 2012

Beter dan de kermis


“Wat is de vakantie toch snel voorbij, kon ik maar terug in de tijd...”, zo verzuchtte mijn oudste zoon. Een week eerder strekte de herfstvakantie zich nog eindeloos voor hem uit, als een zee van tijd waarop hij zich helemaal vrij kon laten wegdrijven. Op weg naar onbekende bestemmingen en ongekende mogelijkheden. Zoveel mogelijkheden dat hij, zoals zo vaak aan het begin van een vakantie, niet eens wist wat hij zou gaan doen. “Gaan we naar de ijshal..zullen we gaan zwemmen...mogen we naar de kermis....?” Ja de kermis was er ook nog en oefende met zijn schelle geluiden, schitterende kleuren en de verlokkingen van te winnen prijzen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op jongens van 8 en 11 jaar oud. IJshal en zwembad vond ik prima, maar de kermis heb ik weten af te houden. Het vooruitzicht op een snel lichter wordende beurs maakte dat ik niet zoveel zin had. Bovendien denk ik dat de kermis nooit echt helemaal tevreden stemt. Elke attractie is immers leuk, maar de bevrediging is vaak maar kortstondig. En misschien is elke volgende attractie nog leuker, nog meer flitsend, nog nieuwer, mooier, beter... Eentje overslaan, waar een verantwoordelijke en financieel bewuste vader natuurlijk voor zorgt, is dan al snel teleurstellend. En dan heb ik nog niet eens de grijpers genoemd, verslaving bevorderende apparaten die pas echt leuk worden als je er ook iets uithaalt. Dat betekent dus geluk hebben of doorgaan en euro's blijven aanleveren...Volgend voorjaar maar weer eens...

Terug in de tijd. Of zoals de jongste het verwoordde: “ik zou alles willen stilzetten, behalve mijzelf, mijn vriendje en mijn broer, dan zouden we kunnen blijven doorrennen...” Ik zie het zo voor me. Hij zelf dus ook. Aan voorstellingsvermogen geen gebrek. Ik hoor het ze zo roepen, in navolging van Phineas Flynn: “Ik weet wat we gaan doen vandaag, laten we een tijdmachine gaan bouwen!”.

Het kost me ook weinig moeite om mijzelf te verplaatsen in de gemoedstoestand die onze jongens zo aan het eind van de vakantie parten speelde. Ik herken hun verlangen. Ook ik zou de tijd soms willen terugdraaien. Waarschijnlijk om te kunnen ontsnappen aan al die kleine en grotere dagelijkse beslommeringen. Terug naar toen. Het wanneer waarin de tijd inderdaad niet aanwezig leek. Naar een stemming van zorgeloze overgave. Overgave aan het lome gevoel van verveling en niks moeten. In vervoering van gespannen verwachting voor wat nog komen gaat. Berustend in de kalmerende zekerheid van het harmonieuze ritme waarin dagen, maanden en seizoenen zich aandienen en voorbij glijden. Een stroom van tijd. Indrukwekkend als de eb en vloed. Alle ruimte om niks meer te hoeven dan wat een jongen het liefste doet: zoeken, struinen en jagen langs de vloedlijn van die zee van tijd.


Maar de realiteit diende zich alweer aan met de garantie van school voor de jongens de volgende dag en voor mij zelf het werk. Terug in de tijd was vooralsnog niet mogelijk, behalve dan natuurlijk in jongensdromen en in de avonturen van Phineas & Ferb. Meer dan de klok een uur terugzetten zat er niet in aan het eind van herfstvakantie. Maar dat ene uur extra, dat is al een mooi uur. Een uur meer voor de kinderen om buiten te rennen, om zich lekker te kunnen vervelen, om zich het hoofd te breken over hoe het nu eigenlijk precies zit met zomer- en wintertijd, of (in het geval van onze dochter) om het huiswerk te maken...

Of natuurlijk meer ruimte om zelf even te ontsnappen. En wat is er dan beter om te gaan vissen... Op momenten die zich plots aanbieden, zo voor het grijpen. Een onverwachte mogelijkheid om vrij te komen van het drukke bestaan. Meestal zijn dit de beste visdagen, zomaar los van alles.

Wat nu het gevoel is dat een visdag tot een goede of 'de beste' visdag maakt, laat zich moeilijk beschrijven. Misschien is dit hele blog wel een poging daartoe. In ieder geval laat de waarde van die visdag zich niet in aantallen gevangen vis uitdrukken. Daar ben ik al wel achter. Slechte visdagen zijn er eigenlijk ook niet. Slechte dagen wel, maar af en toe kan zelfs vissen dat niet verhelpen...Soms is een gestolen ogenblik voldoende, even alleen weg van alles. De aanwezigheid van mijn vriend en vaste vismaat volstaat sowieso al. Treffend vond ik wat ik onlangs las op de site van de Wolf. Herkenbaar omdat ikzelf er gaandeweg ook achter ben gekomen dat de beste visdagen sporadische gelegenheden zijn. Kansen die zich zo nu en dan voordoen. Goede visdagen zijn die dagen die het verschil maken. De tegenstelling tussen moeten en kunnen, tussen vast en los. Het onderscheid tussen realiteit en die jongensdroom. Juist die verantwoordelijkheid voor de dagelijkse zorgen en bezigheden maken de uitbraak mogelijk. Zonder de toewijding geen vrijheid. Beiden zijn een kostbaar goed, maar de betekenis van een visdag is slechts betrekkelijk. Uiteindelijk zal de waarde van een goede visdag verborgen liggen in de zeldzaamheid.

berusting en uitrusting
In de voorbije herfstvakantie deden zich twee van die kansen voor. Letterlijk en figuurlijk buitenkansen, want de jongens en ik gingen vissen. Twee dagen erop uit. Twee zeer verschillende dagen. Bracht aan het begin van de week de zomer nog een laatste afscheidsgroet met een warme dag, de tweede dag aan het eind van de week leek, met de vorst 's ochtends in de lucht, de winter zich aan te kondigen. Dag één was het water vol leven nadat de ochtendmist eenmaal was opgetrokken. Jagende baarzen doorkliefden het oppervlak, voorns maakten kringen en snoeken sloegen spetterend en luidruchtig ontzagwekkende kolken in het water. Dag twee was het andere uiterste. Het water was stil, roerloos en koud als de lucht om ons heen. De frisse nachten van de afgelopen dagen hadden hun weerslag gehad op de watertemperatuur en navenant op de activiteit van de vis. Deze dag zou het zoeken worden naar de baarzen en snoeken.


Plaats van handeling was een recreatieplas in de buurt. Een mooi en gevarieerd water, bekend om het goede bestand aan karper, maar zeker ook prima voor snoek en baars. De afwisselde oevers maken het mogelijk om allerlei verschillende stekken aan te doen. Soms wat minder goed toegankelijk, dan weer open en zonder obstakels. Mooi voor mijn oudste zoon, om lekker te kunnen werpen en ervaring op te doen. Naast en deels in verbinding met de grote plas zijn nog allerlei interessante poeltjes en sloten. Een uitdaging voor de kunstaasvisser om hier tussen, langs en onder de talrijke overhangende takken en struiken de werpkunst te beoefenen. Iets lastiger voor mijn zoon, hoewel hij het werpen al behoorlijk onder de knie krijgt. In twee dagen versierde hij slechts éénmaal een boom met een spinner. De jongste vist nog niet met de werphengel. Hij ging mee omdat hij het leuk vindt om mee te gaan en vermaakte zich opperbest met struinen door bosjes en langs de oevers. Verder rende hij heen en weer tussen mij en zijn broer om de baarzen weer terug te zetten in het water. Ondertussen was er ook genoeg te zien en werd de jacht op vis even gestaakt om te speuren naar het ijsvogeltje waarvan we een glimp opvingen, werd het onderscheid tussen fuut en aalscholver (“wat is die vogel waarvan de snavel zo lang is als mijn middelvinger?”) duidelijk, en bleek de 'buizerd' die de jongste op de thermiek zag cirkelen een ooievaar.

In opgerolde hemdsmouwen....zelfs nog eind Oktober!
Zeker de eerste dag werd er ook goed gevangen. Baarzen en een paar snoeken. Ik heb ervan genoten om met de jongens op stap te zijn, om hun onbevangen kijk op de wereld te ervaren. En het gaf voldoening om te zien hoe mijn oudste zoon vist. Ik wist al dat hij er plezier in heeft. Ik herken in hem een echte visser. Een genieter, die zelfs wanneer hij niks vangt een mooie dag buiten heeft. En hij heeft oog voor die speciale stekken, de hoekjes en gaten. Hij voelt aan waar hij zijn moet, en laat zich niet afschrikken door die overhangende takken en verborgen boomstronken. In mijn ogen is hij een kenner in wording.

Een ding ontbrak nog. Hij had nog nooit een snoek gevangen. Ook niet op dag één in deze herfstvakantie. Niet dat hij het zo erg vond, maar ik had mezelf dat een beetje ten doel gesteld. Snoek spreekt immers tot de verbeelding, zeker bij de jonge jongens. Ik weet nog goed hoe blij ik zelf was met mijn eerste snoek, herinner mij nog de hengel, type spinner en precies de plek waar die memorabele vangst plaatsvond. Ik gunde hem een soortelijke ervaring. Dag twee zou dat moeten waarmaken. En daar hoefde ikzelf uiteindelijk weinig voor te doen. Peuterend en met precisie werpend, plaatste hij keer op keer zijn spinner onder het bruggetje waar hij ook al de grootste baars onder vandaan had gehaald. “Ik heb beet” klonk het plots. Een flinke kolk in het water verraadde dat het hier om een grotere vis ging. Snoek! Rustig en beheerst drilde hij de vis onder de brugpijlers vandaan. Eenmaal beneden aangekomen op de oever naast het bruggetje bij mijn zoon, stond ik klaar om het snoekje te gaan scheppen. Maar toen begon de molenslip te lopen en even later liet de snoek zich voor het eerst echt zien. Zelfs ik schrok ervan...dit was niet het snoekje dat ik verwachtte, dit was...dit was een monster...Na een aantal minuten en geholpen door wat aanwijzingen wist mijn zoon de snoek richting kant te dirigeren zodat ik met enige moeite (het net was wat aan de kleine kant) deze grote vis kon scheppen. Een echt grote, zij het nog wat magere, snoek lag op de kant. De grote vis, die op de kant nog niet geheel moegestreden bleek, moet een wat boosaardige aanblik hebben gegeven want de jongens hielden een respectvolle afstand, verbaasd als zij waren door de zeer grote ogen en uiteraard onder de indruk van de grote kop en rijen met tanden.


Ik zou pagina's kunnen vullen om te proberen de sfeer te schilderen met woorden en het gevoel van dit moment in beelden te vangen. Maar ik zou vast nog tekort schieten. Makkelijker en treffender is om het samen te vatten met de woorden van de visser die deze snoek op de kant kreeg: “pa, dit is nog beter dan de kermis”.

En zelf had ik weer een paar dagen kunnen vissen. Vrij en ongedwongen. Was weer even op die plek waar de tijd vervaagt. Met de knieën in de zompige ondergrond om de gevangen snoek te onthaken. De broek net zo smerig als die van de jongens. Een tijdlang los van alles, maar des te meer in verbinding.


woensdag 27 juni 2012

Deze wilde ik graag delen...

Wordt het tijd voor een grote, drijvende streamer, zwart van boven en grijs van onder.....?


woensdag 23 mei 2012

Hengel mode


Kort door de bocht met lange hengels,
haastige spoed in snelle trends,
of onbuigzame materie tegen de stroom in

Contrast

Een flink aantal jaren geleden bracht ik nogal wat tijd vissend door in een bepaald gebied niet ver van mijn woonplaats. Ik had nog niet de beschikking over een eigen auto en verplaatste mezelf per fiets. Het poldergebied waar ik viste lag binnen fietsafstand en zodoende was ik gedurende een aantal jaren regelmatig in de herfst en winter in deze omgeving te vinden. Het betreft hier niet de typische klassieke polder zoals men zich dat misschien voorstelt, maar oude kleigronden waar de diverse slootjes en vaarten deels de bochtige restanten vormen van oeroude slenken en geulen.


Gedurende die jaren kwam ik steevast een oude man tegen, een collega visser met wie ik een praatje maakte en zo nu en dan een stuk mee 'opviste'. Al doende leerden we elkaar een beetje kennen en zo werd dit weerzien een soort herkenningspunt in de tijd. Deze jaarlijkse reünie markeerde de start van een nieuw en langverwacht seizoen; het was weer zover, de herfst was aangebroken en we gingen weer op snoek...

De verschillen in jacht techniek tussen mijzelf en deze oude man waren groot; de man viste met een erg lange telescoop hengel, een zware molen met daarop minstens 40/100 nylon gespoeld en aan het 'business-end' van zijn uitrusting uiteraard een flinke levende voorn onder de kurken. Ik viste met een tien grams holglas spinhengel, 18/100 nylon op een passend spin molentje en uiteraard kunstaas in de vorm van een Ondex maat 4 of 5. Ook in de benadering van de hengelsport zat tussen ons enig verschil. Je zou het zelfs een wereld van verschil kunnen noemen. Een contrast voortkomend uit het leeftijdsverschil maar eveneens gekenmerkt door een uiteenlopende levenservaring. De oude man had het snoeken nog beoefend met de beringde bamboe stok in combinatie met een eenvoudige reel, in een tijd waarin weliswaar met plezier werd gevist, maar vooral ook voor de pot. De betekenis van materiaal was voor hem van een andere orde, en de positie van de vis had een geheel andere waarde. De man had in zijn lange leven al heel wat snoeken gevangen op deze wijze. In feite kwam ik daarbij vergeleken nog maar net kijken met mijn eigen betekenis die ik aan het materiaal hechtte en met mijn waarde die ik aan vissen (de dril, de vis) verbond.

Een behoorlijke tegenstelling dus, zo op het eerste gezicht. Een tegenstelling die tijdens twee momenten erg duidelijk werd aan de waterkant. Van het eerste moment herinner ik mij nog goed de verbazing die zich in eerste instantie van mij meester maakte. De oude visser kreeg een aanbeet. Prachtig om te zien hoe de nerveus deinende kurken al de aanwezigheid van snoek deden vermoeden, waarna de kurken resoluut schuin onder water schoten, en enkele keren op diverse plekken weer bovenkwamen alvorens zij halt hielden en vast op hun plek bleven liggen. Een sporadische minieme beweging van de kurken verraadde dat de snoek nog beet had en bezig was de grote voorn te keren. Tijd om aan te slaan....! Zo dacht ik. “Sla maar aan” zei ik eigenwijs en in het Fries. De man antwoordde niet, bracht de lange hengel naar achteren en deed toen iets wat ik totaal niet verwacht had. Tot mijn bevreemding schoof hij het topje van de telescoop hengel naar beneden… Maar daar bleef het niet bij want samen met de top werd tevens het tweede deel ingeschoven. De man keek mij even aan en antwoordde “zo heb ik meer kracht” en richtte zijn aandacht weer op de twee kurkjes die nog onveranderd in dezelfde positie lagen. “Jo kinne no wol slaan, hy het it fiskje al keert” probeerde ik nog eens voorzichtig, bang als ik was dat de snoek de haak zou slikken. De oude man mompelde nog iets onverstaanbaars en bleef rustig wachten. Na minuten, die in mijn beleving een eeuwigheid duurden, kwam hij dan toch in actie. Hij draaide het dikke nylon strak, bracht in één vloeiende beweging de gekortwiekte hengel omhoog, deed tegelijkertijd een paar stappen naar achteren en voordat ik er goed en wel erg in had, lag er een mooie snoek van zeker 70 cm spartelend op de kant. In één doorgaande beweging...En nog geen seconde later had de vis al een tik op zijn kop gekregen. Een prachtige snoek, goudgroen getekend, lag op de oever. Een mooie, maar helaas (in mij beleving) ook een dode snoek. “Mooie aanbeet, goed eten” zei de man. Of iets in die trant.

Het tweede moment waarop het verschil aan het licht kwam, laat zich wel raden (want er zijn immers twee kanten nodig om een kloof te creëren) en betrof een vangst van mijn zijde. De oude man had weinig vertrouwen in die 'blinkers' van mij. Hij had ze wel eens geprobeerd, vissend aan dezelfde uitrusting als waarmee hij met levend aas viste. En min of meer volgens dezelfde wijze van vissen, namelijk slepend langs de eigen oever of langs andere veelbelovende plekjes en hoekjes. En dat gesleep met de spinner had geen vis opgeleverd. Dus dat blik was geen succes, zo stelde hij. Terwijl we zo zij aan zij visten en ik de eerste vis in zijn bijzijn haakte keek hij toch wel even op. Hij legde zelfs zijn hengel neer en kwam naast mij staan kijken. Na een leuke dril lag er een hele beste baars in het net, een centimeter of 40 denk ik (deze vis kan in mijn herinnering iets gegroeid zijn...). Zo'n oude donkere vis, gehavend en getekend door het leven in de poldersloot, maar in goede conditie en een sterke vis aan de spinhengel. Om een lang verhaal kort te maken: de oude man was nieuwsgierig geworden door de diep doorbuigende hengel en was geboeid door een dergelijke dikke baars. Maar de dril duurde wel erg lang, ik had de vis makkelijk kunnen verspelen meende hij. En wat ik toen deed, dat bracht hem zelfs een beetje van z'n stuk. Ik zette de vis namelijk voorzichtig terug in zijn element. Dat was zonde en onbegrijpelijk, zo stelde de man. Baars nota bene, dat was immers de lekkerste vis uit het zoete, of hij de volgende dan wel kon meekrijgen.... 

En hoewel deze kloof tussen twee gezichtspunten moeilijk te overbruggen was (we zouden nooit oversteken), toch had ik respect voor deze man en zijn kennis en kunde en kon ik zijn wijze van vissen waarderen. Hij was evenwichtig, rustig en wist wat hij deed. Hij kon het water lezen. Hij wist wat hij zei en meer zei hij niet. Ja, hij was in balans, had verder niks nodig. Hij liet zich niet gek maken, als hij dat al ooit had gedaan, en zou zolang het hem gegeven was op dezelfde wijze met het hem bekende materiaal door blijven vissen. Eigenlijk had hij die telescoop hengel ook helemaal niet nodig. Het diende slechts het gemak van het transport. En door de topjes terug te schuiven bracht hij de hengel terug tot de hem vertrouwde bamboestok. Hij sprak de reserve van de telescoophengel aan en bracht zo de combinatie in evenwicht met het dikke nylon. Kortom een evenwichtige persoon met een dito hengel combinatie.

Evenwicht

Het is die harmonie waar ik onlangs aan moest denken. Dat was na het lezen van de zoveelste verhandeling over hengelsportmateriaal. Zo'n verhandeling waarbij de ene persoon op grond van eigen subjectieve uitgangspunten de ander probeert te overtuigen dat diens persoonlijke keuze niet klopt of niet deugt, of zelfs achterhaald zou zijn. De ene hengel zou nog beter zijn dan de andere. Pen sluiting is beter dan oversteek (of andersom). En wanneer men niet voor 'moderne' materialen kiest dan zou men zelfs hopeloos achterlopen. Ik snap dat allemaal niet. Waarom zou je de ander zo nodig moeten overtuigen van je eigen gelijk in zoiets persoonlijks als de hengelsport. Uiteindelijk gaat het toch om de beleving, bedacht ik. Ik hoor u denken: “wat maak je je druk, dan lees je het toch niet?”. Dat zou inderdaad een goede oplossing zijn, ware het niet dat de materie mij intrigeert. De hengelsport is sowieso mateloos interessant, en ik lees over deze hobby graag alles wat los en vast zit. En soms zitten daar kleine pareltjes tussen die ik ook weer niet wil missen. Over avonturen langs de waterkant, over de jacht op de karper, of over dropshotten op baars op de vierkante meter onder bruggen en langs andere obstakels. Interessante visserijen, mooie foto's, ideeën waar ik door geïnspireerd word. Niet lezen is dus (nog) geen optie. En al die andere gekkigheid is feitelijk ook wel zeer boeiend. Zo blijf ik mij dus verwonderen over de inhoud van sommige polemieken en verbaas ik mij over talloze berichten van nieuwigheden welke voortdurend in de hengelsport blogs en bladen over ons heen worden gestort. Het merendeel van die nieuwigheden is niet echt nieuw en vormt geen verbetering, tenminste dat denk ik. Maar toch zijn er altijd weer al die zogenoemde innovaties. Ten slotte, zo meen ik, dient die vernieuwing over het algemeen natuurlijk niet ter vervolmaking van mijn beleving van het vissen, maar dient het slechts de handel. Die handel moet blijven bestaan en dus moeten we kopen en blijven kopen, en worden we aangesproken op menselijke emoties zoals nieuwsgierigheid en hebberigheid.

vernieuwing, verbetering? 
twee (ultra)lichte spinmolens, 
waarvan één met een fors bredere spoel,
een spoel die m.i. elke spinmolen

zou moeten hebben
Het evenwicht daarin lijkt soms zoek. De harmonie die de oude visser eigen was, die ontbreekt. Het zal de tijdgeest wel zijn, een tijd waarin de omloopsnelheid van een mobieltje nog geen jaar is, en waarin de houdbaarheidsdatum van de nieuwste serie topsegment vliegenhengels van Sage al niet veel langer geldig is. En hoewel ik veel van dat nieuwe speelgoed erg mooi vind en me best kan laten verleiden door iets wat belooft iets toe te voegen (niets menselijks is mij vreemd), toch verkeer ik in de veronderstelling dat het spul waar ik mee vis is al jaren meer dan goed is en geen verbetering behoeft. Zou ik dan inderdaad achterlopen getuige mijn gebrek aan vernieuwingsdrang en mijn nostalgische hang naar eenvoud en harmonie, tenminste wanneer ik moet geloven wat ik gelezen heb? Zou natuurlijk zo maar kunnen. Of niet. Misschien draait het in de visserij per slot van rekening niet om het materiaal maar om iets anders. Niet om de psychologie van een hengel (als er al zoiets bestaat) maar om de psychologie van de visser. Dan wordt het dus een persoonlijke kwestie. Niet de functionaliteit, de prijs, of de grondstoffen etc. van het hengelgerei zijn bepalend voor de eindbalans, maar de gevoelswaarde die aan dat alles wordt ontleend is doorslaggevend.

Die gevoelswaarde vind ik een interessant onderwerp, want wat bezielt iemand (mij) om.....? Maar het is ook een gevoelig onderwerp, een delicate kwestie, zoals wel blijkt uit die vele discussies en twistschrijverij waar al snel het waarde oordeel wordt geveld over andermans waarheid. Nu heb ik ook wel mijn voorkeuren, hecht ik waarde aan bepaald materiaal en heb daar ook wel een oordeel over. Een opvatting waar ik ook graag over schrijf. Zo vind ik een bus sluiting mooi, evenals een diepe doorgaande en progressieve buiging. Of kurk met reelringen, en anders wel een hengel met een taille. En ik hou van een traditie van decennia min of meer onveranderde visie (want wat immers jaren geleden al meer dan goed was behoeft geen verbetering). Maar het meest houd ik nog van een visserij die dicht bij mij staat.

Misschien vind ik in dat laatste juist dat gevoel van harmonie en eenvoud. En uiteraard draagt het juiste materiaal daar aan bij. Niet het beste materiaal, maar het juiste, d.w.z. het best passend. Waar de perfectie eindigt of wat daarna komt doet er dan niet meer toe, het hoeft in de basis alleen nog maar te kloppen. Het moet kloppen als een bus: een hengel die in evenwicht is met de molen en balanceert op één vinger vlak voor de molenvoet. Een hengel die een verborgen innerlijke kracht heeft welke pas tijdens de dril aan de waterkant volledig en zonder reserves tot uiting komt. De hengel die niet zozeer van zichzelf mooi is, maar vanwege zijn wezenlijke eigenschappen. Een hengel met een eigenwijs karakter, wars van mode, en bestand tegen de waan van de dag. Wellicht bestaat er dus toch zoiets als de psychologie van een hengel....

In de psychologie van de echte wereld zijn dergelijke eigenschappen meestal niet zo zichtbaar, dat is inherent aan juist deze karaktertrekken. Zoals bij die oude visser die geen enkele behoefte had om wat dan ook van de daken te schreeuwen en zeker in de visserij hoefde hij zich niet te laten gelden. Voor hengels is het al niet veel anders, want de hengel die al deze kwaliteiten bij uitstek in zich verenigt is eigenlijk een onopvallende hengel. Klein van stuk, bescheiden in het voorkomen. Zeker niet strak of flitsend te noemen en (eigenwijs als 't ie is) volhardend in cobold glas. Maar achter die sobere en misschien wat kleurloze gedaante verschuilt zich een dynamiek van hoge intensiteit, want (naast gewoon lekker vissen) doet de Fair Play Floret precies wat een spinhengel moet doen: werpen. Als geen enkele andere spinhengel die ik ken, is er met de Floret keer op keer heel precies en relatief ver te werpen. Iemand die voor het eerst deze hengel ter hand neemt zal misschien denken niet met een spinhengel van doen te hebben. In deze tijd waarin een spinhengel synoniem lijkt te zijn met hard of strak oogt de Floret op het eerste zicht al snel als een zacht en ongeschikt instrument voor het spinvissen. Niets is minder waar, tenminste dat denk ik. Juist door de korte lengte, het verloop van de blank en de progressieve buiging is de Floret een razend snelle hengel, die zich slechts door een minieme beweging vanuit de pols volledig als een boog laat spannen om vervolgens de opgebouwde energie weer los te laten en in de vorm van snelheid aan het kunstaas mee te geven. En die snelheid is in de praktijk warempel precies goed. Zo goed dat het kleine kunstaasje keer op keer op de gewenste plek terecht komt. Mits er natuurlijk sprake is van een juiste afstemming op elkaar van de verschillende onderdelen van het geheel: de hengel, dun nylon en een bepaald werpgewicht en een passende maat spinnerblad.

Toch vis ik niet met een Floret. De Floret heeft voor mij één tekortkoming, letterlijk, want ik vind deze hengel net niet lang genoeg. Zou ik vooral in kleine beekjes vissen, of in sterk overgroeide hoekjes en gaten, dan is deze hengel ideaal. Maar in die voor mij zeldzame omstandigheden is een vliegenhengeltje (vooral in de beekjes natuurlijk) een nog mooier instrument. Voor mijn visserij in de polders vind ik in de Rapier de best passende hengel. Een hengel die min of meer hetzelfde doet als de Floret, maar door de extra lengte nog fijner vist en drilt. En, mogelijk ook door die lengte of door het gebruikte carbon, een hengel die iets meer tolerantie heeft m.b.t. lijnkeuze en formaat spinner. Kortom: de eerste keus spinhengel onder vrijwel alle omstandigheden.

'afstemming'


Kort over lengte

Een nog langere hengel in de lichte klasse is niet nodig, tenminste niet in de omstandigheden van de poldervisserij op snoek en baars. Desondanks zijn er natuurlijk ook situaties waar een langere spinhengel wel beter passend is. Maar een hengel verlengen (bij eenzelfde licht vermogen) vraagt om aanpassingen en concessies, zoals elke hengel natuurlijk altijd al een tegemoetkoming is aan het beschikbare materiaal, gewenste buiging, budget etc. etc. Eén mogelijkheid is om een lange lichte hengel te maken met een zgn. reserve, het strakkere onderste deel. Dergelijke hengels hebben hun waarde maar naar mijn smaak wordt over het algemeen bij dit type hengels de progressieve buiging (en daarmee het werpvermogen) te zeer teniet gedaan. Een andere aanpassing die ik soms zie in lange hengels die als (ultra)lichte spinhengel te boek staan, is 'strak en licht'. Zeer licht van gewicht en strak. Dergelijke hengels buigen bij het inzetten van de worp nauwelijks op het eigen gewicht, laat staan op het lichtgewicht kunstaas. Eigenlijk hengels van een hoger vermogen dan aangegeven, en nog minder geschikt voor het werpen van licht kunstaas dan de hengels met reserve.

hier nog in ontwikkeling, vijf-grammer
in de lengte van 2,70 meter,
(zeker niet de 'langste' ...)
Een derde mogelijkheid is om een lange lichte spinhengel te creëren die wel volledig progressief buigt, en deels ook op het eigen gewicht tot buigen komt tijdens de worp. Dergelijke hengels zie ik echter niet veel. Ik denk dat zoiets al snel als te traag bestempeld wordt. Te zacht in vergelijking met wat tegenwoordig als standaard geldt. Een spinhengel zou immers strak en snel moeten zijn om te kunnen werpen, om de haak te zetten enz., zo hoor en lees ik vaak. Strak en snel is dan vaak hetzelfde in dit verband. Ik denk dat dit gegeven op een paar misverstanden berust. Een lange zachtere hengel kan namelijk nog steeds snel zijn. De hengel zal weliswaar trager aanvoelen, er is immers meer lengte om te buigen wat meer tijd zal kosten bij het laden en ontladen van zo'n hengel, en de buiging zal dieper doorzetten. Maar toch kan een trager aanvoelende hengel precies de juiste energie leveren om licht kunstaas gericht en desnoods ver te kunnen werpen. Het andere uiterste: de 'strakke pook'. Deze 'harde' hengel is niet per definitie een snelle hengel. Een hengel die nauwelijks buigt op een klein spinnertje genereert zelf immers geen snelheid maar functioneert slechts als hefboom in het verlengde van de onderarm. De beweging van de arm is snel, niet de hengel. Snelheid door spierkracht...Ook is een strakke pook niet noodzakelijk om op afstand een haak te kunnen zetten. Zelfs met een zachtere spinhengel die wel volledig progressief buigt, is in een fractie van een seconde voldoende weerstand op te bouwen om een vis te haken, ook met nylon als lijn. Binnen één enkele achterwaartse beweging staat de lijn strak, de hengel gebogen en tikt de slip de eerste centimeters lijn weg. Op dat moment is er al snel een druk van pak en beet twee- tot driehonderd gram, ruim voldoende om te haken, mits uiteraard een juiste combinatie aas en haak. Overigens denk ik wel eens dat de geringe vertraging van een combinatie progressieve buiging/nylon-rek (i.t.t. strakke hengel/dyneema) de kans op inhaken juist verbetert, maar dat is weer een ander verhaal.


in de lak
Voor zo'n type hengel, die lange lichte spinhengel met de concessie dat deze iets zachter aanvoelt dan men gewend is, zijn beslist passende omstandigheden. Die situaties waar bijvoorbeeld tweehandig werpen gewenst is om licht kunstaas ver te kunnen werpen. Of daar waar het handig is om kleine spinnertjes en slanke lepeltjes te kunnen controleren op afstand (hoog kunnen binnen vissen bij het waden). En waar het simpelweg geweldig drillen is met een lange lichte hengel op soms grote en sterke vis. Zulke omstandigheden, een overeenkomstige visserij plus bijpassende hengels bestaan vanzelfsprekend al. Jaren geleden kwam ik in Denemarken in aanraking met de (ultra)lichte spinvisserij op zeeforel. Lange hengels (vaak zelfbouw), in lengtes van rond de negen of tien ft., met een vermogen zo tussen de 3 en 7 gram en in combinatie met dun nylon of dyneema en kleine spinnertjes en slanke lepeltjes. Een prachtige visserij op zich, maar ook een alternatief wanneer de forel er wel is maar net buiten het bereik van de vliegenhengel blijft. Voor deze visserij maakte ik een aantal jaren geleden zelf een spinhengel in de lengte van 2.70 meter en qua vermogen vergelijkbaar met een vijf-grammer. Een fijne hengel voor het wadend vissen in Denemarken, maar natuurlijk ook geschikt voor Nederlandse omstandigheden, zoals die keer dat ik met deze hengel de fint wel wist te bereiken waar ik met de vliegenhengel in mijn werptechniek te kort kwam.


ideaal terrein: wadend vissen met (ultra)lichte lange spinhengel,
onder deze (te) zonnige omstandigheden in het vroege najaar
 kan men echter beter de schemering even afwachten

en mocht je dan plaatsnemen onder aan het klif, 
in afwachting van de schemer,
kijk voor de zekerheid dan eerst even omhoog....

Tot slot

Lange hengels, korte hengels. Zachte en harde hengels, trage en snelle actie. Het bestaat allemaal. Van die telescoop hengel met de ingeschoven top tot en met mijn eigen lange (zachtere) vijf-grammer, en alles er tussen in. De één nog beter dan de ander. Maar de beste hengel bestaat niet, daar geloof ik niet. Hoewel er nog al wat mensen, bedrijven etc. zijn die anders beweren...Het best passend misschien, in ieder geval past de ene hengel mij beter dan de andere. Gelukkig maar. Anders was er geen verschil geweest, en niks om mij over te verwonderen. Dat zou saai worden. Wat betreft het contrast tussen mij en de oude visser aan het begin van dit verhaal, die tegenstelling bleek toch niet zo onoverbrugbaar te zijn. Slechts het materiaal verschilde, maar we spraken letterlijk en figuurlijk dezelfde taal. Rest nog die vraag uit die discussie die deze hele gedachtegang bij mij aan zwengelde: of men (ik) niet hopeloos zou achterlopen wanneer er niet voor nieuwe en moderne en zogenaamde betere materialen wordt gekozen. Ik zal die vraag niet beantwoorden en er geen oordeel over vellen. Ik vind het niet zo van belang om te weten welke hengel of welk materiaal er dit jaar weer in de mode is. Maar ik denk dat je wel lef moet hebben om in deze tijd vast te houden aan de eigen visie, om eigen keuzes te maken, en om trouw te blijven aan wat goed is. Uiteindelijk bepaalt de psychologie van de visser zijn materiaal(keuze), en niet andersom. Toch?

vrijdag 11 mei 2012

Opsteker

De opsteker is iets bijzonders. Is een opsteker voor veel mensen allereerst een gelukje of een meevaller, en voor sommigen misschien een stuk werktuig, voor menig visser roept het woord opsteker iets anders op. Hij of zij zal stellig denken aan de naam van de eigen hengelsportvereniging, of aan de redactionele openingen van het blad “Vissport”. Of misschien gaan de gedachten uit naar die ene, unieke registratie van de aanbeet met de klinkende naam opsteker...lees verder 
(toegevoegd aan pagina's, eerder op Flitsend Nylon)

dinsdag 8 mei 2012

'Jeets'

Engeland is een land van tradities. Diepgewortelde tradities. Zo ook in de hengelsport. Sommige van die gebruiken zijn, in mijn ogen, op z'n minst opvallend te noemen. Bijvoorbeeld de eigenaardige splitsing tussen game en coarse, of de strikte vergunning voorwaarden voor bepaalde vliegvis wateren (upstream dry fly only....) enz. enz. Zulke zaken kunnen bij mij de wenkbrauwen nog wel eens doen fronsen. Maar ja, ik ben dan ook geen Engelsman en begrijp dat ik als buitenstaander natuurlijk nooit de aard van deze gewoontes volledig kan bevatten. 

Maar diezelfde traditie maakt ook dat de hengelsport sterk verankerd is in de Engelse cultuur. Er is een lange geschiedenis van ontwikkeling in verschillende technieken en visserijen, er zijn sterke lobby's, en natuurlijk (last but not least) worden er prachtige (traditionele) materialen gemaakt voor de hengelsport. Buitengewoon fraai cane, uitzonderlijk sierlijke floats etc. etc. Nu heb ik daar zelf niet zoveel mee met dat materiaal. Het is immers ook niet mijn traditie. Hoe mooi ook, een centrepin kan bij mij nooit ter vervanging dienen van de molen onder de penhengel. En een tenchlifter zal altijd een dobber blijven waarvan het rode puntje niet verschilt van eenzelfde rode puntje van een goed afgestelde Albatros pen. 

Hoe het komt weet ik niet, maar soms lijkt alles op het gebied van de hengelsport dat afkomstig is van de Britse eilanden zaligmakend. Men hoeft slechts nog te volgen en de verlossing is nabij...Zelf ben ik daarvoor ook niet ongevoelig. Zo heb ik me echt laten meeslepen voor de tv (met de VHS in de aanslag) toen 'Passion for Angling' voor het eerst vertoond werd op de BBC. Daar ontrolde zich voor mijn ogen een geweldig vis avontuur, en werd in woord en beeld duidelijk gemaakt wat ikzelf altijd al wel gevoeld had maar niet onder woorden had kunnen brengen, namelijk die passie voor het vissen. En dat wilde ik uiteraard ook gaan beleven. De wax jas had ik al, er kwam een slap hoedje bij en een lange zachte vliegenhengel bouwde ik om tot ultralicht penhengeltje. En zo toog ik zo diep mogelijk de wildernis in om met een pennetje en wat wormen als aas de baars en voorn uit hoekjes en gaten te peuteren. Maar die wildernis bleek vaak toch niet zo ongerept te zijn, en het veenwater vlak onder de met riet begroeide oevers meestal niet dieper dan een cm of dertig of veertig. Een oeverzone waar zich slechts mini baarsjes en voorntjes ophielden. En hoewel best leuk, toch bekroop mij langzamerhand een gevoel van teleurstelling. De hooggespannen verwachtingen werden duidelijk niet waargemaakt. De dikke baarzen onder een diep doorbuigend hengeltje bleven uit. En er landde al zeker geen ijsvogeltje op het fragiele penhengeltje (zelf gemaakt,waar ik best trots op was) dat tussen het riet doorprikte. 

Achteraf denk ik dat ik vergat om mij heen te kijken en zo het spoor bijna bijster raakte. Ik had mij verkeken. Had me blind gestaard op het uiterlijk vertoon van Engelse traditie en van de vangst van zeer fraaie vissen. Vangsten die professioneel in beeld waren gebracht tegen een achtergrond van een betoverend decor in de vorm van het magische, mistige Engelse landschap...Nu, inmiddels weer met beide benen stevig in de Friese klei geaard, is er nog steeds wel dat dubbele gevoel. Nog altijd kan ik me laten meeslepen door diezelfde klassieker, maar ik weet ook dat ik me niet in zo'n pakje moet hijsen, me niet moet laten verleiden door centrepin en tenchlifter, of moet (willen) gaan vissen in Redmire. Ik zou me bekocht voelen, ik zou weer teleurgesteld raken.

Chapman bag van de lage landen,
tophengels van Nederlandse bodem (rapier)
 en een snoek (tijdelijk) op de Friese  grond

Klakkeloos overnemen van zulks (Engels) uiterlijk vertoon reduceert het mooie voorkomen natuurlijk snel tot schone schijn. Keaping up appearances, zouden de Engelsen zelf zeggen. Of, in de woorden van Hyacinth, 'Drive slowly past number 21, I want her to see my new hat.' Je zou je zomaar kunnen verkijken, het spoor kunnen kwijtraken. Het pad kunnen missen naar dat watertje in de buurt waar de passie voor het vissen verscholen ligt. Wachtend. In anticipation...

Beleving om de hoek, midden in het land, water in alle richtingen

p.s.
Passion for Angling is en blijft uiteraard een klassieker van een kaliber dat eigenlijk alleen maar in Engeland geproduceerd kan worden. De Engelsen weten als geen ander die passie voor, in dit kader, de hengelsport uit te dragen. Ook in de literatuur krijgt de beleving gestalte in prachtige bewoordingen. En misschien is het die beleving die juist zo aansprekend is, want die overstijgt de landsgrenzen. Een schrijver van naam is natuurlijk Chris Yates. Enige tijd geleden werd ik via Caught by the River geattendeerd op het verschijnen van diens nieuwe boek 'Nightwalk'. Op de dag van uitgifte lag het al bij mij in de bus. Ik noem het hier omdat ik het een aanrader vind voor de liefhebber van zijn stijl. Het is een boekje over die magische wereld van de nachtelijke uren rond midzomer, over bijzondere ontmoetingen in de natuur, en over persoonlijke ervaringen en bespiegelingen. Mooi geschreven, meeslepend en herkenbaar, alsof je er zelf bij bent. Maar let op, verwacht geen hengelsport in dit boek, je zou je bekocht voelen

" This evening, the ponds and lakes will be jumping,
but I will be elsewhere. "
(When time slows down - Nightwalk)
 

dinsdag 6 december 2011

In het spoor verscholen

Over hengels, otters en niet zo bange wezels...

Meer dan vissen, zo luidde de titel van mijn vorige bericht. Andersom had ook gekund, vissen is meer… Vissen is immers veel meer, meer dan enkel vis vangen. Het is voor mij een onderdeel van een groter geheel, de samenhang waar ik graag in op ga en deel van word. Met de hengel in de hand langs de waterkant. Speurend naar beroering in het oppervlak en naar ander bewijs van activiteit onder water. Ik tracht het water te lezen, probeer de kenmerkende hoekjes te herkennen. Zoals het half vergane overblijfsel van een stuk walbeschoeiing dat een stukje schaduw werpt en waar het onder de kant vast en zeker iets dieper is. Of de restanten van waterplanten van afgelopen zomer, nu nog net zichtbaar boven de bodem. En die overhangende boom, de klassieke stek. Veelbelovend, maar ook een stek die, zo weet ik, graag spinners, streamers en ander tuigage verzamelt in haar takken. Zo zijn er meer eigenaardigheden in elk water. Plekken waar de snoek zich graag ophoudt en de karper misschien rondscharrelt.

zondag 13 november 2011

Meer dan Vissen

Vissen is iets moois. Een wezenlijk onderdeel van het bestaan. Waarom dit zo is, valt moeilijk uit te leggen. De lezer die zelf wel eens te vissen gaat zal het wel begrijpen, heeft aan een half woord voldoende. Maar probeer het maar eens aan een buitenstaander duidelijk te maken. Het is haast een onmogelijke opgave.

maandag 13 juni 2011

zilver

Dit weekend dan eindelijk de rust en de ruimte voor een visdag. Het doel is simpel: genieten. Het middel is eveneens van eenvoudige receptuur (hoewel sommige ingrediënten best schaars zijn) en bestaat uit de bescheiden combinatie van een ultralichte spinhengel, passende molen, lijn en spinners, en goed gezelschap. En, hopelijk, de aanwezigheid van baarzen...

goudgroen

Een nieuwe blog. Niks nieuws onder de zon, misschien...maar voor mij een begin. Een prille start met de persoonlijke vormgeving aan, en de verwoording van wat mij zoal bezighoudt op het vlak van de hengelsport. Een nieuw vertrekpunt, van waaruit ik mijn stappen zet in het delen van mijn overdenkingen, meningen en ervaringen.

Een nieuw begin ook van het visseizoen, onlangs. De 'kleine' opening, wanneer er weer met de spinner gevist mag worden, één van de mooiste manieren om de vissport te beoefenen. Ik herinner me de tijd dat het seizoen nog echt gesloten was, en 1 Juni een datum waar reikhalzend naar werd uitgekeken. Dat gevoel van verlangen was de afgelopen tijd weer even terug, na een aantal maanden waarin er geen tijd was om te vissen. Soms zijn er immers andere prioriteiten...De afronding van een studie, gepland voor begin juni jl., markeerde voor mij de start van het nieuwe seizoen. Daarna zou er ruimte zijn om te gaan vissen. Inmiddels ligt dit punt achter mij. Ik kijk er weer reikhalzend naar uit, om regelmatig erop uit te gaan; actief en strûnend, misschien ook nog achter de swingtip. We zien wel.

Zo nu en dan zal ik ongetwijfeld verslag doen, waarvan ik hoop dat het de lezer zal plezieren. Zoals ik zelf al veel genoegen heb beleefd, aan de voorbereiding van goudgroen.